|









| |
Sinds de hond is geëvolueerd uit de wolf, heeft deze altijd
ten dienste gestaan van de mens. De jacht is daar een goed voorbeeld van.
Al in 430 voor Chr. komen we beschrijvingen tegen van honden
die geschikt waren voor de jacht. Ook in de tijd van de Galliërs, beschrijft Arrianus in 115 na Chr., over jachteigenschappen van sommige honden waardoor
vangnetten overbodig waren.
In het oude Egypte, ten tijde van Farao Toetanchamon, werd met
snelle, jakhalsachtige honden, gejaagd op gazellen. En in onder andere het
Midden-Oosten, werd gejaagd met windhonden die de prooi voor hun baas vingen.
In de Middeleeuwen komen we veel informatie tegen over
zogenaamde ‘vogelhonden’. Honden die speciaal zijn getraind voor de jacht met
vogels, zoals haviken en valken. ‘Vogelhonden’ was een verzamelnaam voor honden
die gebruikt werden tijdens de jacht met vogels en stond niet voor een bepaald
ras. Deze honden worden beschouwd als de voorlopers van onze huidige
jachthondenrassen.
De uitvinding van het geweer (1620) bracht een omwenteling
teweeg in de jachtmethoden en het gebruik van de jachthond. Het voorstaan van
honden, waarbij de hond, zodra deze wildgeur in de neus krijgt, in een soort
extase, het wild met soms opgetrokken poot voorstaat, aanwijst en fixeert, werd
vanaf die periode getraind. Maar niet alleen ‘staande’ honden werden gebruikt
voor de jacht. Ook het binnenbrengen van geschoten wild, het apport, was
belangrijk en er werd ook gejaagd met drijvende honden, die het wild opsporen,
en uit de dekking drijven. Brakken werden gebruikt bij de zogenaamde ‘lange
jacht’ en met meutehonden werd het wild achtervolgd. Vanaf ongeveer 1900 werden
honden voor de specifieke jachteigenschappen gefokt. Vanaf die periode ontstaan
de meeste jachthondenrassen.
|